Er heeft zich een revolutie voorgedaan in Hongarije: na zestien jaar is de illiberale autocratie van Viktor Orbán weggevaagd door een klinkende verkiezingsoverwinning van Péter Magyar.
Magyar is geen lichtend voorbeeld voor Europese progressieven. Hij is ook zeker niet de pro-Europese, pro-Oekraïense revolutionair die velen in hem zouden willen zien. Péter Magyar is in veel opzichten vooral de juiste man op het juiste moment gebleken: een dissident van binnenuit die, toen de kans zich voordeed, het momentum aangreep om de machthebber uit te dagen, en de breed gedeelde binnenlandse frustratie over de wijdverspreide corruptie, vervallen infrastructuur en stijgende levenskosten na 16 jaar Viktor Orbán vakkundig wist te kanaliseren.
De specifieke Hongaarse omstandigheden waarin deze verkiezingen plaatsvonden zorgen ervoor dat grote en hoopvolle aannames over een eventuele Europese trend tegen rechts-populisme misplaatst en ongefundeerd zouden zijn. In geen enkel land in de Europese Unie heeft een autocraat zo lang en ongebreideld zijn gang kunnen gaan als Orbán – tot op het punt dat een grens bereikt werd, en de krachten zich tegen hem keerden. Orbáns nederlaag is, in die zin, vooral vergelijkbaar met het verlies van de Britse Conservatieven tegen Labour in 2024– eveneens een uitslag die meer een massale motie van wantrouwen tegen de zittende macht was dan een ideologische stem vóór de winnende partij.
Toch zijn er wel degelijk vonken van Europese en progressieve hoop te destilleren uit de Hongaarse uitslag. Welke conclusies zijn er wél te trekken uit de burgerrevolutie van Péter Magyar?
I. Tijd, toewijding en toenadering: het werkt
Na zijn breuk met Fidesz in 2024 trok Péter Magyar het land in, om dorpen en plaatsen te bezoeken waar geen politicus zich in jaren had laten zien. Juist in die gebieden, die traditioneel in handen waren van Fidesz, nam Magyar twee jaar lang de tijd om met mensen door heel Hongarije in gesprek te gaan over hun levensomstandigheden, tekortkomingen, en onvrede. Ook in plaatsen waar enkele tientallen mensen op hem afkwamen, bleef hij veelvuldig uren luisteren en praten.
Magyar moest haast wel: door de volledige dominantie van Fidesz over de landelijke media maakte hij geen schijn van kans om stemmers op het platteland of van oudere generaties te bereiken. Noodgedwongen bijna nam hij zodoende zijn toevlucht tot een campagne-techniek die recent tot goede resultaten hebben geleid bij vooraanstaande progressieven, zoals Zohran Mamdani in New York en de groene Hannah Spencer in Manchester: deep canvassing.
De theorie achter deep canvassing veronderstelt dat er maar één manier is om radicaal-rechtse zondebokpolitiek te bestrijden: intensieve, verdiepende gesprekken van deur tot deur. Uit onderzoek blijkt dat dat effect heeft: het doorbreekt vooroordelen, en zorgt er daadwerkelijk voor dat mensen blijvend van mening veranderen. Enkel in verkiezingstijd langs de deuren gaan om kiezers te overtuigen, is volgens deze theorie onvoldoende – de geloofwaardigheid van een dergelijke grassroots-campagne valt of staat met de daadwerkelijke bereidheid om naar mensen te willen luisteren, in plaats van iets van ze te komen vragen.
Het werkt niet, veronderstelt deep canvassing, om het populistische sentiment waar mensen voor vallen alleen maar tegen te spreken – dat versterkt juist de tegenstellingen en de narratieven die populisten creëren. De woede of frustratie die mensen in de armen van populisten drijft is vaak terecht, en daar tegenin gaan kan miskennend werken. Dat besef is terug te zien in Magyars campagne: in plaats van zich ideologisch lijnrecht tegenover Fidesz te positioneren, door zich bijvoorbeeld uitgesproken pro-Oekraïens uit te spreken, negeerde hij Orbáns zwartmakerij en concentreerde hij zich op de alledaagse tekortkomingen van de Hongaarse burger.
Met resultaat, zo bleek zondag: Tisza won in rurale kiesdistricten die Fidesz als vanzelfsprekend incalculeerde, en wist zodoende het districtenstelsel wat Orbán dusdanig had heringedeeld dat het hem zou moeten bevoordelen juist tegen hem te laten werken.

II. Europeanen haten Trump
Misschien stuurt Péter Magyar één dezer dagen wel een bosje bloemen naar het Witte Huis. Duidelijk is dat Viktor Orbán een gigantische misrekening heeft gemaakt in zijn campagnestrategie: in de laatste weken voor de verkiezingen ging de Fidesz-leider all-in op zijn goede banden met de Amerikaanse MAGA-beweging. Terwijl Magyar alleen maar uitliep op zijn tegenstrever, door zich geconcentreerd focussen op alledaagse, binnenlandse zaken, probeerde Orbán vooral te laten zien hoe belangrijk hij was voor het Witte Huis – onder meer door de Amerikaanse buitenlandminister Marco Rubio en vicepresident J.D. Vance in te laten vliegen.
Een haast onbegrijpelijke misvatting, die als geen ander laat zien hoe losgekoppeld Orbán was geraakt van zijn electoraat – maar wel eentje waar progressieve Europeanen dankbaar gebruik van kunnen maken. De Amerikaanse regering van Donald Trump is immens impopulair door heel Europa, zelfs onder radicaal-rechtse stemmers.
Dat gegeven bezorgt kopzorgen bij radicaal-rechtse Europese partijen, die de afgelopen jaren in veel landen aan terrein hebben gewonnen, maar voor wie een groot deel van het electoraat niet op een associatie met Trump en de zijnen zitten te wachten. Zo ondervond ook de Italiaanse premier Georgia Meloni: haar relatie met Trump speelde een beslissende rol in haar verlies van een referendum over constitutionele hervormingen, enkele weken na het begin van de Amerikaanse oorlog tegen Iran. Deze week werd Meloni – mede verkozen door een conservatief-katholiek electoraat – gedwongen tot haar eerste echte felle kritiek op Trump na zijn ongekende aanvallen op paus Leo XIV.
Ook het Franse radicaal-rechtse Rassemblement National (RN), dat op weg lijkt te zijn naar een goed uitgangspunt voor de presidentsverkiezingen van 2027, is beducht op een sterke associatie met Trump. Zo’n 50% van het RN-electoraat staat negatief tegenover Trump – om maar te benadrukken in welke kwetsbare hoek radicaal-rechtse Europese partijen kunnen worden geduwd. De Amerikaanse regering heeft zich dan wel strategisch voorgenomen om Europese radicaal-rechtse partijen te ondersteunen en te financieren, maar zou ze daarmee zomaar eens vooral een kiss of death kunnen geven.
De les voor Europese progressieven kan dus zomaar eens zijn dat MAGAssociating werkt: geen Europeaan zit te wachten op de lange arm van Trump in de binnenlandse politiek, en het uitlichten van de banden tussen MAGA en Europees radicaal-rechts maakt de laatstgenoemden bewezen kwetsbaar.
III. De EU heeft een werkende gereedschapskist
De Hongaarse onvrede over Orbán is ook deels te danken aan de EU zelf. Waar de Fidesz-leider er in de vroegere jaren van zijn regeerperiode nog in slaagde om anti-Brusselse retoriek te combineren met het voldoen aan de vereisten voor EU-gelden, leidde de vergevorderde democratische terugval en welig tierende corruptie in Hongarije de Europese Commissie er in 2022 toe om zo’n €18 miljard aan EU-gelden te bevriezen. Die bevroren financiering is allerminst de enige reden voor de huidige Hongaarse economische malaise, maar was wel degelijk een drukmiddel wat bij heeft gedragen aan de val van Orbán. Het belang dat Magyar in zijn campagne hechtte aan het ‘ontdooien’ van de EU-gelden benadrukt de werking van de steeds zwaarder wegende voorwaardelijkheid (conditonalities) die Brussel voor haar geldverstrekking inbouwt.
Een vergelijkbare situatie vond in 2023 plaats in Polen, waar huidig premier Donald Tusk de radicaal-rechtse PiS wist te verslaan – en vervolgens meer dan €100 miljard aan EU-gelden vrij wist te maken. Niet verwonderlijk dat Magyars eerste buitenlandbezoek aan Warschau zal zijn.
Ondanks dat Magyar van zichzelf geen enorme Europeaan is, leidde het sterker verbinden van rechtsstatelijke voorwaarden aan de EU-financiering er zo wel toe dat een onwelwillende leider in een EU-lidstaat intern onder grote druk kon komen te staan. Zodoende zorgt de EU-gereedschapskist er ook voor dat de bevolking van een lidstaat de oplossingen voor haar economische problemen zoekt in grote toenadering tot de EU, waar een oppositiekandidaat als Magyar op in kan spelen.
Europese progressieven en democraten moeten er dus niet voor schuwen om sneller naar de gereedschapskist met pressiemiddelen te grijpen als een EU-lidstaat autocratische tendensen vertoond – zoals wel nog het geval is in landen als Tsjechië en Slowakije. De EU heeft democratische standaarden hoog in het vaandel, ook als het gaat om eisen die gesteld worden aan kandidaat-lidstaten. Door sneller in te grijpen bij achteruitgang onder haar eigen lidstaten maakt de EU zichzelf geloofwaardiger en betrouwbaarder – naar buiten toe, maar ook zeker naar democratisch gezinde inwoners van autocratiserende lidstaten.
Conclusies
In veel opzichten heeft de overwinning van Magyars Tisza iets weg van een perfect storm. De omstandigheden waarmee Viktor Orbán werd verslagen zijn op geen enkele manier vergelijkbaar met een andere EU-lidstaat, en de Tisza-campagne kan dan ook niet worden gezien als een perfecte blauwdruk voor het verslaan van andere radicaal-rechtse populisten.
Toch biedt de overwinning van Magyar hoop. Niet in de laatste plaats omdat het verlies van Orbán een grote klap is voor de wereldwijde radicaal-rechtse beweging; Budapest was de afgelopen jaren een broeinest en vrijhaven voor allerlei conservatieve denkers en clubjes, zoals CPAC, en gold als één van de grootste bondgenoten van MAGA. Orbán, die de instituties en kieswetten van het land volledig naar zijn zette, leek zo goed als onaantastbaar – maar kon toch worden verslagen. Dat is ontegenzeggelijk inspirerend.
De grootste inspiratie is dan ook niet door wie Orbán werd verslagen, maar de manier waarop. Magyar liet zien dat verkiezingen tegen populisten niet gewonnen worden door gelikte reclamespotjes en het “hoog-over” bestrijden van populistische ideeën, maar door te investeren in de tijd, energie en toewijding die het kost om stemmers op te zoeken en naar ze te luisteren. De effectiviteit van die strategie was al langer bewezen, maar de schaal waarop Tisza het tot uitvoering wist te brengen is ongekend.
“Het goede populisme heeft gewonnen”, verklaarde Magyar zondagavond. Wat dat betekent? Orbán voerde een negatieve, populistische campagne, gedreven door angst. Magyar bewees: om angst te verslaan is er geen betere brandstof dan hoop.



