Waarom Nederlandse gemeenten zich internationaal opnieuw moeten uitvinden: in gesprek met Dion van den Berg

Wethouder Nieuwenhuizen onthult in 1982 in de gemeente Zaanstad, als eerste gemeente, een bordje “Kernwapenvrije gemeente”. Rechts Nico Schouten van het actiecomité Stop de Neutronenbom. Bron: Nationaal Archief.

 

Met het oog op de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart organiseerde FMS recent een politiek café over de impact van de lokale politiek op het buitenland: ‘lokaal gaat internationaal’. Ik praatte verder over dit thema met Dion van den Berg, vredesactivist en voormalig beleidsadviseur bij PAX. Samen met Peter Knip, historicus en voormalig directeur van VNG International, bracht hij in januari een boek uit over de vorming van het gemeentelijk internationaal beleid vanaf de Tweede Wereldoorlog tot en met de jaren 80. Hoe kunnen we lokaal invulling geven aan grote internationale vraagstukken? En wat kan het verleden ons leren over de inspanningen van nu?

 

De internationale rol van gemeenten

De meeste mensen zullen bij gemeentelijk beleid niet direct denken aan de rol en invloed van de gemeente over de lokale, laat staan landelijke, grenzen heen. Toch hebben gemeenten zich historisch gezien wel degelijk beziggehouden met internationale vraagstukken en hebben zij op belangrijke momenten een invloedrijke rol gespeeld op internationaal niveau. Zo omschrijven Van den Berg en Knip in hun boek hoe gemeenten onder andere tijdens de Koude Oorlog en na de val van de Berlijnse Muur stedenbanden onderhielden met Warschaupactlanden, participeerden in economische boycots tegen het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime, of kennisuitwisselingsprojecten aangingen met gemeenten in ‘de Derde Wereld’. Gemeenten die dergelijke initiatieven pionierden, konden daarbij niet altijd op steun rekenen van het Rijk, noch in eerste instantie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, die lange tijd het internationale domein niet tot het takenpakket van de gemeenten rekenden. Zeker niet als het ging om ‘politiek gevoelige’ zaken.

 

“Ik heb vaak genoeg gezien dat zogenaamde ‘experts’ lokale overheden in het buitenland gingen adviseren terwijl ze, met alle respect, de ballen verstand hadden van lokaal bestuur.”

 

Volgens Van den Berg is er voor gemeenten echter juist een belangrijke rol weggelegd op internationaal niveau: “Lokale overheden zijn expert op het punt van lokaal bestuur en de lokale democratie”, vertelt hij me. “Als je vanuit Nederland in het buitenland iets wilt bewerkstelligen op het niveau van het lokaal bestuur dan is het waardevol om daar de expertise van lokale overheden aan de Nederlandse kant bij te betrekken. Dat is specifieke expertise die ze bij ministeries en ontwikkelingsorganisaties vaak niet hebben.”

Die gemeentelijke expertise kan volgens Van den Berg bij uitstek in post-autocratische landen of in landen waar de democratie onder druk staat van grote waarde zijn: “Als je in veranderingsprocessen wilt dat de stem van burgers versterkt wordt dan is juist die lokale overheid van groot belang. Dat is de overheid waar burgers het meest mee van doen hebben. Het is de moeite waard om te kijken of je als gemeente lokale overheden elders kunt ondersteunen die na een periode van dictatuur of democratische achteruitgang weer meer democratie willen ontwikkelen.” Die connecties van gemeente tot gemeente zijn volgens Van den Berg een belangrijke vorm van “internationale solidariteit”.

Omdat gemeenten daarnaast ook in directe verbinding staan met hogere bestuurslagen, kunnen zij een belangrijke schakel vormen tussen burgers en nationale overheden bij het van onderop op gang brengen van bredere nationale en internationale veranderingsprocessen. “Lokale overheden zijn niet alleen van belang om nationale overheden te ondersteunen en nationale wetgeving uit te voeren, maar ook om te corrigeren of op te roepen tot ander beleid. Dat hoort bij een volwassen democratie”, aldus Van den Berg. “Het is buitengewoon legitiem dat gemeenteraden, burgemeesters en wethouders uiting geven aan sentimenten die breed leven in de lokale context bij hun eigen burgers.”

 

Een nieuwe invulling van internationale solidariteit 

Toch kunnen gemeenten volgens Van den Berg vandaag de dag meer doen om hun internationale rol opnieuw op een politiek relevante manier vorm te geven. Volgens Van den Berg werd er in de jaren 70 en 80 veel meer een beroep gedaan op gemeenten om zich actief bezig te houden met internationale problematiek dan nu het geval is. Waar gemeenten eerder nog internationaal optraden vanuit een gevoel van internationale solidariteit, onderhouden gemeenten vandaag de dag volgens Van den Berg veelal internationale connecties vanuit “verlicht eigenbelang”, waarbij de economische ontwikkeling van de eigen gemeenschap centraal staat. Het besef dat het ook anders kan, lijkt weggezakt te zijn.

Zo bleef na de initiële reactie van enkele gemeenten naar aanleiding van de Rode Lijn-demonstraties concrete actie vanuit de Nederlandse gemeenten grotendeels uit. Hoe anders was dat, vertelt Van den Berg, na de kernwapendemonstraties van 1981 en 1983 toen een groot aantal gemeenten doelbewust een gemeentelijk vredesbeleid formuleerde: “Het was vrij breed wat gemeenten ondernamen en zeker niet allemaal zwaar politiek, er zat bijvoorbeeld steun voor lokale vredesgroepen in, overleg met scholen voor vredesonderwijs, subsidies voor tentoonstellingen en bijeenkomsten, maar ook gemeentelijke contacten met Warschaupactlanden.” Hoewel het volgens Van den Berg weinig zin heeft om nostalgisch te doen over die tijd, is het volgens hem wel degelijk de moeite waard voor gemeenten om samen met burgers opnieuw invulling te geven aan internationale solidariteit.

Gemeenten zouden op lokaal niveau de dialoog over antisemitisme en discriminatie meer kunnen stimuleren en zich daarnaast kunnen beraden hoe zij concrete internationale actie met betrekking tot Israël en Palestina vorm zouden kunnen geven. Met betrekking tot Oekraïne zouden gemeenten volgens Van den Berg niet alleen een ondersteunende rol kunnen gaan spelen bij de wederopbouw van de fysieke infrastructuur, maar ook bij het opnieuw decentraliseren van het bestuur en de wederopbouw van de lokale democratie. “Misschien is het centrale thema nu, ook voor lokale overheden in Nederland: ‘hoe houden we de democratie overeind?’”, stelt Van den Berg. Gemeenten zouden daarover volgens hem veel meer het gesprek aan kunnen gaan met lokale overheden elders in de wereld, onder andere in opkomende landen als India, Indonesië en Zuid-Afrika.

Toch wil hij zich bescheiden opstellen als het aankomt op het voorschrijven van wat gemeenten concreet zouden moeten ondernemen, benadrukt Van den Berg: “Dat is voor gemeenten om samen met burgers te bepalen.” Enerzijds zouden gemeenten meer kunnen putten uit, en ruimte kunnen creëren voor, lokale burgerinitiatieven. Anderzijds kunnen maatschappelijke initiatieven ook meer een beroep doen op gemeenten en erop aandringen dat zij duidelijker beleid formuleren ten aanzien van internationale thema’s. “Die sociale infrastructuur voor internationale solidariteit moet opnieuw worden opgebouwd”, stelt Van den Berg.

 

Verandering begint bij het individu 

Dat hierin volgens Van den Berg en Knip voor ieder individu een verantwoordelijkheid en een kans ligt, blijkt uit de persoonlijke insteek van hun boek. Een belangrijke motivatie voor het schrijven van het boek was om een ode te brengen aan de mensen die vanaf de Tweede Wereldoorlog hun nek hebben uitgestoken om het gemeentelijk internationaal beleid op poten te zetten, vertelt Van den Berg. In het boek zijn daarom verschillende inspirerende portretten te vinden van mensen als Huib van Walsum, Hilda Passchier, of Cor de Vos, die zich daar persoonlijk voor hebben ingezet.

 

“Laat me je agenda zien en dan zal ik je vertellen wat je kunt doen.”

 

Op de vraag hoe mensen in deze geopolitiek roerige tijden lokaal het verschil kunnen maken antwoordt Van den Berg met optimisme: “Laat me je agenda zien en dan zal ik je vertellen wat je kunt doen. Je moet dingen waar je zelf enthousiast voor bent proberen internationaal te laten aansluiten.” Dat kan als gemeenteraadslid, maar ook in de theaterwereld, bij de lokale sportclub of bij een schaaktoernooi, vertelt Van den Berg: “Er is vaak meer mogelijk dan mensen denken.”

 

Wil je meer te weten komen over de geschiedenis van het gemeentelijk internationaal beleid? Het boek van Dion van den Berg en Peter Knip; ‘Wereldverbeteraars waren we’, is hier verkrijgbaar.