Waarom Nederland het debat over extreme rijkdom ontwijkt

Bron: Flickr

Extreme welvaartsongelijkheid is slecht voor samenlevingen. Het zorgt voor minder vertrouwen in de overheid, minder sociale cohesie en meer risico op politieke beïnvloeding van politici door een kleine groep rijken. In Europa woedt hierover hevig debat, maar in Nederland lijkt dit nog weinig politieke invloed te hebben en wordt het weggezet als een “links” of “radicaal” thema. Terwijl hier juist een enorme kans ligt voor landen om tegemoet te komen aan ontevreden kiezer en de noodzakelijke uitgaven aan veiligheid en hervormingen te financieren. Wat staat ons te doen in Europa en in het bijzonder in Nederland? 

Bij het congres van de Europese sociaaldemocraten (de PES) in Amsterdam stond een klassiek thema voor linkse politiek twee keer op de agenda. Als FMS zetten we samen met Oxfam Novib en Tax Justice NL een panelgesprek met experts neer, over nationale en Europese initiatieven om een eerlijker belastingsysteem te bereiken. Het hoofdpodium toonde Gabriel Zucman, een Franse econoom die in rap tempo de soort rockstar-status vergaart die bijvoorbeeld Thomas Piketty heeft. Hij komt met een simpel plan: laat ultrarijken minimaal 2 procent belasting betalen over vermogens boven de 100 miljoen euro – de zogenaamde Zucman-tax. In veel Europese landen leidt dat idee tot verhitte debatten. In Nederland blijft het opvallend stil. Hoe kan het dat een land met hoge vermogensongelijkheid nauwelijks politiek debat heeft over het belasten van extreme rijkdom? 

De vermogensdiscussie in Europa  

Dat de Zucman-tax politieke tractie krijgt, bleek dit jaar in Frankrijk. De Parti Socialiste vonden Zucman’s idee sterk en ging zelfs verder met een voorstel van een heffing van 3 procent voor op vermogens boven de 10 miljoen euro. Volgens partijleider Olivier Faure was dit dé manier om een dreigende crisis af te wenden. Echter dat 86 procent van de Fransen vóór een vermogensbelasting is, deed er weinig toe. Voor rechts was de ‘Zucman-belasting’ te links en de partij van Emmanuel Macron en Les Républicains stemden tegen.  

Ook in Noorwegen laaide de discussie op. Na de verkiezingen van 2021 werd de bestaande vermogensbelasting, de formuesskatt, aangescherpt. Helaas werd het een centraal thema bij de verkiezingen dit jaar. Rechtspopulisten, aangevoerd door Sylvi Listhaug, waarschuwden voor kapitaalvlucht en schilderden de maatregel af als een bedreiging voor ondernemerschap en innovatie. Die boodschap vond gretig aftrek op sociale media en YouTube-kanalen die zich richten op jonge mannen. De onderliggende logica was steeds dezelfde: wie rijkdom belast, jaagt kapitaal het land uit. 

Waar is Nederland in het debat?  

Organisaties zoals Oxfam waarschuwen voor groeiende vermogensongelijkheid. De rijkste 10 procent bezit inmiddels 56 procent van al het Nederlandse vermogen. Als we kijken naar de rijkste 1 procent, die bezit bijna een kwart van het totaal. De rijkste Nederlanders in de quote 500 zagen hun vermogen afgelopen jaar met 8 procent stijgen tot 273 miljard euro, mede dankzij investeringen in crypto en kunstmatige intelligentie. Tegelijkertijd betalen zij, gemiddeld genomen, aanzienlijk minder belasting dan de rest van de bevolking. Waar de meeste mensen rond de 45 procent belasting betalen over hun inkomen, ligt het effectieve tarief voor deze groep rond de 20 procent. 

Dat is geen toeval. Het Nederlandse belastingstelsel belast arbeid zwaar en bezit licht. Vermogen kan eenvoudig worden ondergebracht in bv’s, holdings en familiestichtingen. Partijen zeggen dat ze bezorgd zijn over ongelijkheid, maar deinzen terug zodra het over extreme rijkdom gaat. Sinds het box 3-arrest van de Hoge Raad in 2021 verschuilen politici zich bovendien graag achter het argument van ‘complexiteit’. Een vermogensbelasting zou juridisch te riskant en technisch te ingewikkeld zijn.  

De blinde vlek 

Een belangrijk deel van het antwoord ligt bij de publieke perceptie. Nederlanders onderschatten structureel hoe ongelijk vermogen is verdeeld. Vooral rechtse kiezers schatten de vermogensongelijkheid veel lager in dan zij in werkelijkheid is. Die misperceptie is niet onschuldig. Zij beïnvloedt hoe mensen denken over belastingen, kansen en rechtvaardigheid. 

Tijdens de afgelopen verkiezingen namen meerdere partijen, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, ChristenUnie en SP, voorstellen voor een vorm van vermogensbelasting op in hun programma’s. Samen goed voor 53 zetels. Niet genoeg voor een meerderheid, maar wel genoeg om het onderwerp structureel op de agenda te zetten. Toch bleef het debat over economische ongelijkheid oppervlakkig, verdrongen door politiek veiligere thema’s zoals de hypotheekrenteaftrek. 

Extreme rijkdom als vraagstuk  

Initiatieven zoals de Zucman-belasting worden weggezet als bedreigend voor economische groei en investeringen. Dat argument wordt vaak herhaald, maar zelden onderbouwd. Een vermogensbelasting voor de allerrijksten zal de ongelijkheid niet in één klap omkeren. Ze zal hoogstens de groei ervan afremmen. Juist daarin schuilt de politieke betekenis. Extreme vermogensconcentratie is niet alleen een economisch probleem, maar ook een democratisch probleem. Wanneer een kleine groep structureel minder bijdraagt, terwijl zij wel profiteert van publieke voorzieningen en politieke invloed, ondermijnt dat het draagvlak voor het hele belastingstelsel. 

Nederland was, verrassend genoeg, het eerste land ter wereld dat een vermogensbelasting invoerde, in 1892. Dat dit systeem later is afgeschaft, betekent niet dat het idee achterhaald is. De kennis, data en voorstellen liggen vandaag de dag op tafel bij economen als Zucman en in onderzoeken van organisaties als Oxfam. Zolang extreme rijkdom wordt gezien als een succesverhaal in plaats van een democratisch probleem, blijft het stil. En zolang het stil blijft, verandert er niets. De vraag is niet of Nederland zich een vermogensbelasting kan veroorloven, maar wanneer het de politieke moed vindt om weer serieus te praten over de grenzen van rijkdom.