Foto: Voormalig kamerlid Daniëlle Hirsch (GroenLinks-PvdA) en kamerlid Sarah Dobbe (SP) in de Tweede Kamer.
Met de introductie van FemFocus verandert het Nederlandse beleid voor internationale vrouwenrechten wezenlijk van karakter. Dit instrument is een onderdeel van het nieuwe beleids- en subsidiekader voor 2026–2030, bedoeld om vrouwenrechten gericht en effectief te ondersteunen. In een brandbrief van mei 2025, die vorige week openbaar is gemaakt, waarschuwen vrouwenrechtenorganisaties dat het nieuwe subsidiekader de ruimte voor politieke beïnvloeding aanzienlijk beperkt. Maatschappelijke organisaties worden primair gepositioneerd als uitvoerders van vooraf vastgestelde beleidsdoelen in plaats van partners, terwijl de andere rol van maatschappelijke organisaties in agendering, beleidskritiek en machtsbeïnvloeding grotendeels buiten het kader valt. Dit roept de vraag op voor het aankomende kabinet-Jetten in hoeverre structurele verandering mogelijk blijft zonder expliciete ruimte voor politiek betrokkenheid.
De afbraak van het feministisch buitenlandbeleid
Deze inhoudelijke afbakening gaat hand in hand met financiële versmalling. Nederland stond nog geen drie jaar geleden in de schijnwerpers met de aankondiging van een feministisch buitenlandbeleid (FBB). Er stond in dat 85% van de ODA–uitgaven gender significant moeten zijn. De kern was helder: gendergelijkheid zou niet langer een bijzaak zijn, maar een integraal uitgangspunt van diplomatie en ontwikkelingssamenwerking. Echter door de komst van kabinet Schoof halveert Nederland vanaf dit jaar de uitgaven aan internationale vrouwenrechten en gendergelijkheid en wordt het Feministisch buitenlandbeleid pontificaal aan de kant gezet. Ambassades verliezen hun gedelegeerde budgetten op FBB, en Nederland stopt met de financiering van het VN Trust Fund to End Violence Against Women. Daarmee verschuift niet alleen de aard van de interventies, maar ook de schaal en strategische flexibiliteit ervan.
Tegelijkertijd verandert de internationale politieke context waarin vrouwenrechten worden bevorderd. Internationaal is de afgelopen jaren een goed georganiseerde anti-genderbeweging zichtbaar geworden, die zich richt op het terugdraaien van vrouwen- en LHBTIQ+-rechten. Recent onderzoek laat zien dat deze netwerken wereldwijd jaarlijks meer dan een miljard euro investeren in wetgeving, juridische procedures, framing en institutionele machtsopbouw ten koste van vrouwenrechten en democratie. Opvallend genoeg komt 73% van deze financiering uit Europa. Nederland staat daarbij in de top 6 van donorlanden. Onder de donateurs vallen belanghartigingsorganisaties en lobbyisten, fondsenwervende stichtingen en denktanks.
De effectiviteit van deze strategieën wordt zichtbaar in verschillende Europese landen, waar rechten onder druk zijn komen te staan. Abortusrechten zijn teruggedraaid in Polen, er komt steeds meer femicide voor in Europa, en de druk op internationale instituties zoals de VN, de WHO en de Istanbul Conventie neemt toe. Deze ontwikkelingen onderstrepen dat vrouwenrechten niet alleen een sociaal of humanitair thema zijn, maar nadrukkelijk onderhevig zijn aan bredere politieke machtsdynamieken.
Ook binnen Nederland neemt de politieke gevoeligheid rondom vrouwenrechten toe. Tijdens een rondetafelgesprek in de tweede kamer wees internationale vrouwenrechten organisaties erop dat juist financiering van beleidsbeïnvloeding en advocacy essentieel is om maatschappelijke ruimte en eerder geboekte vooruitgang te behouden. Het terugdringen van deze financiering vergroot het risico dat maatschappelijke organisaties hun rol als politieke actor verliezen. Precies dat soort financiering verdwijnt nu uit het Nederlandse beleid. Tegelijkertijd is in de Tweede Kamer geprobeerd deze ontwikkeling te keren. Zo diende Kamerlid Hirsch een amendement in om vrouwenrechten en gendergelijkheid expliciet in de begroting te behouden, en werd via een motie van Kroger bepleit om lobby- en advocacy activiteiten niet uit te sluiten binnen het FemFocus-instrument. Dat deze initiatieven geen doorslaggevend resultaat hadden, maakt duidelijk dat zonder expliciete politieke keuzes vrouwenrechten structureel aan terrein verliezen.
Wat Femfocus buiten beeld laat
Na het wegbezuinigen van het FFB kwam minister van BHO in najaar 2025 met een nieuw programma FemFocus, met als doel om vrouwelijk ondernemerschap te bevorderen, geweld tegen vrouwen en meisjes tegen te gaan en vrouwelijk leiderschap op het gebied van conflictpreventie, bemiddeling en vredesopbouw te versterken. In dat licht is het relevant te kijken naar wat FemFocus niet omvat. Het instrument bevat nauwelijks preventieve of structurele maatregelen en richt zich vooral op het mitigeren van bestaande ongelijkheid. Beleidsdomeinen die genderongelijkheid mede produceren, zoals handel, wapenexport, belastingbeleid, asiel, klimaat en veiligheid, vallen buiten het kader. Daarmee ontbreekt een integrale benadering van gender in het bredere buitenlandbeleid.
FemFocus is dan ook geen vervanging van feministisch buitenlandbeleid. Het is een losstaand subsidiekader, beperkt tot het maatschappelijk middenveld, zonder invloed op bredere politieke keuzes. Daardoor blijven andere sectoren buiten beschouwing. Organisaties en bedrijven kunnen nog steeds vrouwenrechten ondermijnen, bijvoorbeeld door vrouwen uit te sluiten van vredesprocessen of handelsverdragen, of door campagne te voeren tegen seksuele en reproductieve gezondheid. Dat vergroot het risico op beleidsincoherentie: terwijl maatschappelijke organisaties vrouwenrechten proberen te versterken, ondermijnen andere onderdelen van het buitenlandbeleid diezelfde rechten.
Een nieuw kabinet en een oud dilemma
Morgen presenteert het toekomstige kabinet-Jetten haar regeerakkoord. Daarmee ontstaat een cruciaal politiek moment. In haar verkiezingsprogramma positioneerde D66 vrouwenrechten nadrukkelijk als een thema dat niet op zichzelf staat, maar verweven is met handel, internationale samenwerking, klimaat, zorg en onderwijs. Precies die integrale benadering ontbreekt nu in het beleid. De vraag is of vrouwenrechten in het regeerakkoord opnieuw worden gereduceerd tot een niche binnen ontwikkelingssamenwerking, of dat het kabinet erkent dat gendergelijkheid een politiek criterium is dat richtinggevend moet zijn voor het gehele buitenlandbeleid.
In een wereld waarin vrouwenrechten steeds explicieter speelbal zijn van ideologische strijd, is een zogenaamd ‘politiek neutraal’ beleid geen bescherming, maar een capitulatie. Terwijl anti-genderbewegingen strategisch, goed gefinancierd en politiek georganiseerd zijn, investeert Nederland in apolitieke dienstverlening zonder tegenmacht.
Aan het nieuwe kabinet, bescherm vrouwenrechten niet alleen via projecten, maar via politieke invloed. Herstel een feministisch buitenlandbeleid waarin gender een integraal criterium is in handel, diplomatie, veiligheid en klimaat. En geef maatschappelijke organisaties weer ruimte om niet alleen maar uit te voeren, maar ook te agenderen, te bekritiseren en als politieke actor te functioneren.


