Oekraïne na 4 jaar oorlog: “We hebben nieuwe argumenten nodig”

This article is also available in English. 

Morgen zijn er vier jaren verstreken sinds de Russische invasie van Oekraïne begon. Wat in februari 2022 begon als een schok, is uitgegroeid tot een langdurige en uitputtende realiteit – voor Oekraïners, maar ook voor Europeanen. Terwijl Europese regeringen de financiële en militaire steun consequent hebben voortgezet, lijkt de publieke solidariteit met Oekraïne steeds brozer te worden. De Amerikaanse onbetrouwbaarheid onder Trump en de toenemende invloed van Europese extreem-rechtse bewegingen hebben het publieke debat bovendien veranderd.

Terwijl Europese leiders proberen met deze nieuwe realiteit om te gaan, lijden Oekraïners dagelijks onder de zwaarste oorlogswinter tot nu toe, onder voortdurende Russische belegering. Een hoopvol toekomstbeeld schetsen wordt voor Oekraïense maatschappelijke organisaties steeds moeilijker. Hoe slagen zij erin hun werk voort te zetten en hun hoop op de toekomst te behouden? We spraken met onze collega’s in Oekraïne, die zich elke dag inzetten voor een sterke en veerkrachtige samenleving in oorlogstijd.

 

Werken door de winter heen

“Effectief werken was onmogelijk”, zegt Mariia Patrul van de Oekraïense Groene Jongeren, wanneer ze deze “kritieke” winter beschrijft: koude appartementen dwongen mensen om de steden te verlaten, lange periodes zonder internet. Deze situatie heeft niet alleen het werk van het Oekraïense maatschappelijk middenveld beïnvloed, volgens Bohdan Ferens (SD Platform), maar ook de psychische en fysieke toestand van al haar deelnemers.

Het SD Platform van Ferens, dat werkt aan het ontwerpen van een “vreedzame naoorlogse periode” en aan rechtvaardige en eerlijke herstelplannen voor de toekomst, merkt dat de huidige situatie hun werk onder enorme spanning zet: “Ik denk dat het aan het begin van de grootschalige invasie makkelijker was een toekomstvisie ontwikkelen (…) nu is het onmogelijk om te voorspellen wanneer deze oorlog zal eindigen, en onder welke omstandigheden.”

En deze omstandigheden zijn niet de enige factor die het werk van het Oekraïense maatschappelijk middenveld beïnvloedt. Zoals Ivanna Khrapko, vertegenwoordigster van de jongerenraad van vakbond FPU, zegt: arbeidsomstandigheden en werknemersrechten waren in Oekraïne altijd al een probleem, ook vóór de Russische invasie. Nu veel Oekraïense werknemers in andere Europese landen verblijven, is de uitdaging volgens haar om “de arbeidsomstandigheden en werknemersrechten in Oekraïne te verbeteren – anders zullen Oekraïners niet terugkeren om hun land zelf weer op te bouwen.”

Als er al iets positiefs te zeggen valt, dan is het volgens Patrul dat de winterse “pauze” hen de kans gaf om hun krachten te sparen. “Daardoor hebben we ons optimisme en onze hoop niet verloren.”

 

Verandering van binnenuit

Volgens Oleksandr Tomashchuk, vertegenwoordiger van de Stichting Oekraïners in Nederland, heeft er inderdaad na de eerste oorlogsjaren een afname in de steun voor Oekraïne plaatsgevonden, met gevolgen voor de financiële middelen van zijn stichting. Volgens hem was herprioritering noodzakelijk om het werk van zijn stichting voort te zetten: om steun te verzamelen, wordt nu meer aandacht besteed aan gemeenschapsvorming en culturele uitwisseling tussen de Oekraïense diaspora en de Nederlandse samenleving.

Gevraagd naar mogelijke verklaringen voor die afnemende publieke steun, stelt Mariia Patrul dat dit niet louter een Europees probleem is. “Het schokeffect is voorbij”, betoogt ze. “Ook binnen Oekraïne zelf neemt de steun af. Mensen zijn moe van vier jaar oorlog.” En door de stijgende inflatie wordt het steeds moeilijker voor Oekraïners zelf om de Oekraïense strijdkrachten te ondersteunen.

Deze situatie leidt het Oekraïense maatschappelijk middenveld ertoe om de inspanningen van hun regering om Europese solidariteit te behouden te bekritiseren. De dalende publieke steun in Europa is volgens Patrul deels toe te schrijven aan de problemen binnen de Oekraïense elite, die publiekelijk laat zien een “gebrek aan zowel organisatie als strategie” te hebben.

Ferens sluit zich daarbij aan: “Er is veel veranderd sinds 2022, maar we [Oekraïne, red.] gebruiken nog steeds dezelfde argumenten, dezelfde communicatiepatronen. We moeten nieuwe argumenten vinden.”

 

Het debat veranderen

“80% van de discussie gaat over militaire steun en ‘veiligheidsgaranties’”, aldus Khrapko. “Natuurlijk is dat belangrijk, ons leven hangt ervan af. Maar zonder een discussie over meer werknemers, goede arbeidsomstandigheden en banen in Oekraïne, kunnen we Oekraïne niet zelf herbouwen.”

Volgens Ferens zou er vanuit Oekraïense zijde meer nadruk kunnen worden gelegd op wat hij de ‘menselijke benadering’ noemt: het versterken van de Oekraïense democratie, het verbeteren van de institutionele capaciteit en het opleiden van jongeren in het kader van verkiezingsprocessen en democratisering. Deze aanpak kan Europeanen ervan overtuigen de solidariteit te behouden met het oog op “een beter en rechtvaardiger Oekraïne” na de oorlog.

Maar ook Europese politici hebben hier een belangrijke rol te spelen, zegt Patrul. “Het is begrijpelijk dat Europeanen in de war raken wanneer ze enerzijds horen dat Oekraïne hulp nodig heeft, maar vervolgens corruptieschandalen in het nieuws zien. Europese politici zouden daarom consequent moeten aandringen op daadwerkelijke veranderingen binnen de Oekraïense politieke en staatselite.”

Ferens is het daarmee eens: “We moeten onze interne uitdagingen onder ogen zien. Ja, we moeten absoluut ons huiswerk doen, maar Europa moet ook rekening houden met de omstandigheden waarin wij verkeren.” Het ondersteunen van het Oekraïense maatschappelijk middenveld is volgens hem een goede manier om die uitdagingen aan te pakken.

 

Pleidooi voor een ander Europa

Ook aan Europese zijde zijn veranderingen nodig. De huidige Europese discussie over Oekraïne voelt voor Oekraïners soms abstract aan, benadrukt Patrul: “Wanneer je een imperialistische en autoritaire buurman hebt, bestaan er geen ‘veiligheidsgaranties’. De enige garantie voor vrede is een sterk Oekraïens leger – en een plaats voor Oekraïne binnen de Europese gemeenschap.”

Bovendien, zo stelt Khrapko, “heeft het weinig zin om over ‘veiligheidsgaranties’ te spreken zolang Europese landen via achterdeurtjes nog steeds Russisch gas en olie kopen.” Zolang de Russische oorlogsmachine deels met Europees geld wordt gefinancierd, kan volgens haar vrede niet worden gegarandeerd – niet voor Oekraïne, en dus ook niet voor Europa.

Volgens Patrul begrijpen Europeanen nog altijd niet voldoende dat Oekraïners vechten voor de vrijheid van heel Europa en daarmee “Europa zelf verdedigen”. Het is logisch, zegt ze, dat Europeanen “niet dezelfde angst voor oorlog voelen”, maar Oekraïne ligt “in het hart van Europa en is een buur waarmee je echt kunt samenwerken” – iets wat Europese leiders volgens haar duidelijker moeten uitleggen aan hun samenlevingen.

 

Draai het argument om

In de zoektocht naar ‘nieuwe argumenten’, zoals Ferens bepleit, kan het helpen het debat om te draaien, zegt Oleksandr Tomashchuk. “Veel mensen in Europese samenlevingen begrijpen vanuit gezond verstand en empathie waarom het belangrijk is om Oekraïne te steunen.”

In het debat over een toekomstige toetreding van Oekraïne tot de Europese Unie ontbreekt volgens hem één duidelijk perspectief: wat Oekraïne de EU te bieden heeft. “Ik merk een zekere indruk dat Oekraïne zwak is en geholpen moet worden. Maar Oekraïne – met al onze ervaring en het grote leger – kan na de oorlog een leidende rol spelen in de Europese defensie-architectuur.”

Het gaat niet alleen om het helpen van de ‘zwakkere’, betoogt hij, maar ook om wat Oekraïne heeft bij te dragen: extra grondgebied, extra arbeidskrachten, militaire kracht, inlichtingenexpertise, en niet in de laatste plaats een land vol mensen die de normen en waarden van de Europese democratie en rechtvaardigheid delen.

Wanneer Tomashchuk zich de toekomst van Oekraïne voorstelt, kan hij zich die niet zonder Europa voorstellen. “Maar Europeanen moeten eerlijk zijn: er is geen toekomst voor Europa zonder Oekraïne.”