D66, VVD en CDA presenteerden deze week hun regeerakkoord voor het aankomende minderheidskabinet dat Nederland zal gaan besturen onder leiding van Rob Jetten. Dat het kabinet een significant hogere pro-Europese signatuur krijgt dan voorganger, is van de meet af aan duidelijk. De drie coalitiepartijen besteden veel aandacht aan geopolitieke en Europese zaken, met als doel om Nederland weer in het ‘linkerrijtje van invloedrijke landen’ terug te brengen – een positie die Nederland onder het kabinet-Schoof ontegenzeggelijk is kwijtgeraakt.
Een passage in dit coalitieakkoord die kritisch onder de loep dient te worden genomen, gaat over de eventuele toekomstige uitbreiding van de lidstaten van de Europese Unie. In het verleden lag Europese uitbreiding in Nederland vaak gevoelig; in het recente verleden blokkeerde de Nederlandse regering onder meer de Schengen-toelating van Bulgarije en Roemenië. Onder het kabinet-Schoof blokkeerde Nederland daarnaast bovendien de plannen om het vetorecht van Europese landen in te perken tijdens het toetredingsproces van kandidaat-lidstaten – een maatregel die veel toetredingsprocessen had kunnen versnellen.
Of het aankomende kabinet-Jetten van plan is zo’n soort maatregel nu wél te steunen, maken de coalitiepartijen niet duidelijk. Wel schrijven zij dat uitbreiding ‘realistisch’ en ‘vanuit een geopolitieke context’ moet worden bekeken; mogelijk impliceren zij hiermee dat een eventuele versnelde Europese uitbreiding van landen als Oekraïne, Moldavië of landen in de Westelijke Balkan vanuit Europees geopolitiek perspectief als noodzakelijk zou kunnen worden gezien. Landen moeten volgens de coalitiepartijen wel blijven voldoen aan de Kopenhagen-criteria om volledig lid te mogen worden. In dat kleine woordje ‘volledig’ lijkt de crux te zitten, want daarna volgt de volgende passage:
“Kandidaat-lidstaten met een strategische positie, zoals landen in de Westelijke-Balkan, verbinden wij met Nederland en Europa door intensievere samenwerking. We zetten ons in voor een Europa van verschillende snelheden.”
De coalitiepartijen benadrukken dus eerst het belang van de Kopenhagen-criteria voor volledige lidstaten, maar spreken daarna over “verschillende snelheden” in de samenwerking met landen in de Westelijke Balkan. Hiermee lijken zij te impliceren dat vormen van Europese samenwerking en integratie gedifferentieerd zou kunnen plaatsvinden, zelfs zonder EU-lidmaatschap, en wellicht in het kader van de Europese Politieke Gemeenschap, zoals de Luxemburgse buitenlandminister Xavier Bettel, net als D66 en VVD lid van de liberale Europese RENEW-familie, eerder heeft geïmpliceerd.
Eerder gingen er in Nederland al stemmen op voor een dergelijke constructie: een expert als Femke van Esch schreef in 2020 dat gedifferentieerde integratie de EU in staat zou stellen om ‘van haar verscheidenheid van nature haar kracht te maken”. Door sommige staten in staat te stellen om op sommige onderwerpen verder te gaan dan anderen zou er zowel ‘samenwerking als behoud van eigenheid’ kunnen zijn. Of zo’n thema-afhankelijke Europese lapjesdeken ook de visie is van het kabinet, valt te betwijfelen; in de these van Van Esch zijn alle deelnemende landen ook EU-lidstaten.
In de huidige versie van het coalitieakkoord blijft onduidelijk hoe deze toekomstige samenwerking er dan uit zou moeten zien zonder EU-lidmaatschap: zouden landen als Montenegro, Servië of Bosnië & Herzegovina al aanspraak kunnen maken op deelname aan de Europese vrije handelsmarkt, of toegang krijgen tot vergaderingen van de Europese Raad? Zo’n invulling is niet zonder risico’s: het kan betekenen dat kandidaat-lidstaten minder prikkels krijgen om hervormingen door te voeren in de interne organisatie om deel te kunnen nemen aan de Europese samenwerking. Op haart beurt zou de EU sneller geassocieerd kunnen worden met interne spanningen in de democratische rechtsstaat in haar invloedssfeer. Het concept zou zelfs kunnen betekenen dat huidige lidstaten hun kans schoon zien om een ‘dunnere’ versie van het EU-lidmaatschap na te gaan streven, om te kunnen ontkomen aan normatief EU-beleid.
Het wordt dus interessant om te volgen hoe de toekomstige minister van Buitenlandse Zaken zal balanceren op het dunne koord van de Europese uitbreiding: het concept van “verschillende snelheden” biedt kansen, maar de coalitie zal in haar spiegels moeten blijven kijken.



