De terugkeerhub: symboolpolitiek met een prijs

Foto: een hek met prikkeldraad (Rawpixel).

Op 17 juni 2026 nam het Europees Parlement met 418 tegen 218 stemmen de nieuwe Terugkeerverordening aan, de strengste migratiewet in de geschiedenis van de EU, met steun van radicaal- en extreemrechtse fracties. Een belangrijk aspect van deze terugkeerwet is de mogelijkheid voor lidstaten om uitgeprocedeerde asielzoekers naar een terugkeerhub te sturen. Charlie Weimers, Europarlementariër voor de Zweden-democraten en lid van de ECR-fractie, stelde zelfs dat ‘the era of deportations has begun’.

Nederland in EU-kopgroep voor terugkeerhub

Om het maatschappelijke en politieke gevoel dat migratie het grootste probleem aller tijden is op te lossen, grijpt het kabinet Jetten de mogelijkheid om een terugkeerhub te creëren met beide handen aan. Zo bleek begin september uit de Volkskrant dat Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Oostenrijk en Griekenland tot een Europese kopgroep behoort, die als doel heeft om zo snel mogelijk afspraken te maken met een land buiten de EU om daar een terugkeerhub te vestigen.

Dat het vooral landen zijn met autocratische leiders die welwillend staan tegenover het openen van een terugkeerhub op hun grondgebied, weerhoudt de kopgroep er vooralsnog niet van om deals te sluiten. Zo probeerde het vorige kabinet een terugkeerhub te openen in Uganda and sloot het Verenigd Koninkrijk een deal met Rwanda om asielclaims daar te verwerken. Beide landen zijn controversiële partners. Zo maakte Uganda naam met strenge anti-lhbti legislation. Het land onder het bewind van Yoweri Museveni, staat ook niet bekend om de naleving van mensenrechten en er vindt systematisch democratische achteruitgang, zoals onderdrukking van de oppositie plaats. Ook in Rwanda is er onder leiding van Paul Kagame sprake van onderdrukking van mensenrechten en democratische achteruitgang, zoals gemanipuleerde verkiezingen. Ongeveer drie jaar geleden sloot de EU een vergelijkbaar akkoord met de autocratische Tunesische president Saied. Simpel gezegd werd er in ruil voor economische investeringen vanuit de EU door Tunesië beloofd de grenzen beter te bewaken en de terugkeer van migranten te verbeteren. Als gevolg van de deal pakten de Tunesische autoriteiten mensen op en dumpten ze deze mensen vervolgens in de woestijn. Dit had meerdere doden tot gevolg, waaronder een moeder en haar kind.

De praktijk blijkt weerbarstiger

Een ander belangrijk kritiekpunt op het oprichten van terugkeerhubs is dat ze niet op EU-grondgebied liggen, met als gevolg dat de terugkeerhubs buiten de EU-jurisdictie vallen. In de praktijk betekent dit dat het onmogelijk is om te controleren of het derde land zich houdt aan mensenrechtenverdragen en het non-refoulementbeginsel: het verbod op het terugsturen van vluchtelingen of asielzoekers naar een land waar zij risico lopen op vervolging. Mochten er daadwerkelijk asielzoekers naar terugkeerhubs worden gestuurd waar mensenrechtenschendingen plaatsvinden, dan betekent dit dat Europese rechters hier geen controle over kunnen uitoefenen. Deze mensen zullen hierdoor aan hun lot worden overgelaten in een de facto gevangenis, waar ze niet zelf wegkunnen en geen juridische bijstand hebben.

Dit risico is allesbehalve hypothetisch. Tot dusver hebben rechters keer op keer een streep gezet door pogingen om mensen naar een terugkeerhub te sturen. Zo mocht een vlucht uit het VK naar Rwanda toch niet vertrekken, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat er een reëel risico bestond op ‘onherstelbaar leed’. Een soortgelijke poging in Denemarken om een terugkeerhub in Rwanda te realiseren kreeg een stortvloed aan kritiek van onder andere mensenrechtenorganisaties en stagneerde uiteindelijk ook. De Italiaanse regering moest zelfs een groep van 12 asielzoekers ophalen uit Albanië, nadat ze daar naar een terugkeerhub waren gestuurd. Het resultaat is dat de centra tot zover nauwelijks worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn. De Albanese centra stonden zo vaak leeg dat ze tijdelijk zijn ingezet voor de opvang van zwerfhonden en het Rwanda-plan van het VK is uiteindelijk helemaal geschrapt voordat er ooit een vlucht vertrok.

Als de juridische risico’s en de waarschijnlijke schendingen van mensenrechten nog niet genoeg zijn, kleeft er ook nog een belangrijk politiek risico aan het model van het afschuiven van migratieverantwoordelijkheid. Door het openen van terugkeerhubs, maar ook door het sluiten van migratiedeals, zoals die met Turkije of Tunesië, geeft de EU deze landen een machtsmiddel in handen. De partners in derde landen kunnen de samenwerking gebruiken als drukmiddel, bijvoorbeeld door meer geld te vragen of het wegkijken bij mensenrechtenschendingen te eisen in ruil voor het naleven van de deal. De EU-Turkije deal liet dat patroon al zien, toen Erdogan dreigde om de grenzen richting de EU open te zetten.

Symboolpolitiek

Mensen oppakken en wegsturen naar een land ver buiten hun eigen grondgebied blijkt dus geen ver-van-ons-bed-scenario meer. Het is een realistisch onderdeel geworden van het Europese en Nederlandse migratiebeleid. Het kabinet Jetten grijpt de mogelijkheid aan om een terugkeerhub op te richten als antwoord op het ‘migratieprobleem’. Maar een oplossing die juridisch niet standhoudt, mensenrechten op het spel zet en de EU afhankelijk maakt van de welwillendheid van autocraten, is geen oplossing. Het is slechts symboolpolitiek die moet laten zien dat er ‘iets’ gedaan wordt. Het zou het kabinet sieren om, voordat het verdere afspraken maakt met een derde land, eerst uit te leggen hoe het de juridische en mensenrechtelijke problemen wil oplossen die in Rwanda, Albanië en Tunesië al zijn aangetoond, en om dat debat niet pas te voeren als de eerste vlucht op het punt van vertrekken staat.